HomeNieuwsOosterweelverbindingAanvullende richtlijnen plan-MER Oosterweelverbinding

Aanvullende richtlijnen plan-MER Oosterweelverbinding

De dienst Mer van de Vlaamse overheid heeft aanvullende richtlijnen opgemaakt voor het plan-Milieueffectenrapport (plan-MER) voor de Oosterweelverbinding in Antwerpen. Na een eerste beoordeling blijkt dat 3 van de 8 alternatieven voor de derde Scheldekruising niet voldoen aan de criteria mobiliteit, milieu en technische haalbaarheid. In het plan-MER zullen de overige 5 alternatieven nu verder onderzocht worden.

Op 27 april 2012 maakte de dienst Mer van de Vlaamse overheid de richtlijnen bekend voor de opmaak van een plan-MER voor de Oosterweelverbinding. Deze richtlijnen bepalen de inhoudsafbakening, de reikwijdte en het detailleringsniveau van het plan-MER. In de richtlijnen werden ook de 8 alternatieven geformuleerd die verder bestudeerd dienden te worden.

Resultaten van het onderzoek van de alternatieven

Het team MER-deskundigen heeft de afgelopen maanden de 8 alternatieven beoordeeld op basis van een beperkt aantal, maar zeer belangrijke, basiscriteria. De beoordeling gebeurde voor mobiliteit, ruimtelijke milieueffecten en bouw- en verkeerstechnische haalbaarheid.
Uit hun onderzoek bleek dat twee alternatieven en een variant van twee andere alternatieven geen oplossing bieden voor het mobiliteitsprobleem van de Antwerpse regio.

1. Brug ter hoogte van de Kennedytunnel:

Deze variant van een extra Scheldekruising ter hoogte van de Kennedytunnel biedt geen oplossing voor de mobiliteit. Het geeft slechts een beperkte uitbreiding van de Scheldekruisende capaciteit, en dan nog voornamelijk op het niveau van het onderliggende wegennet.

2. Centrale tunnel met volledige aansluiting op de ring (R1):

Omwille van de bebouwing is er onvoldoende ruimte beschikbaar om deze variant op de centrale tunnel onder Antwerpen te realiseren. De variant met enkel aansluiting op de E313 wordt wel als technisch haalbaar beschouwd.

3. Noordelijke grote ring:

Dit alternatief geeft eveneens geen structurele uitbreiding van de Scheldekruisende capaciteit, waardoor het verwachte verkeer voor 2020 niet opgevangen kan worden. Echter, aangezien dit alternatief complementair kan zijn aan sommige andere alternatieven, moet het in de verdere plan-MER wel extra opgenomen worden als ontwikkelingsscenario.

4. Zuidelijke grote ring:

Dit alternatief scoort slecht op ruimtelijk vlak. Het is een zeer lang tracé met veel ruimtegebruik. Het heeft een grote negatieve impact op talrijke kwetsbare zones (woonwijken, natuurgebieden, landbouwgronden, overstromingsgebieden, …).

De adviesinstanties en indieners van de verschillende alternatieven werden in juni van het onderzoek op de hoogte gebracht en konden opnieuw reageren op het onderzoek naar hun alternatief.

Vervolgtraject

Op basis van het onderzoek en de nieuwe inspraakronde heeft de dienst MER besloten om enkel de volgende alternatieven verder mee te nemen in het onderzoek in het kader van de plan-MER Oosterweelverbinding:
1. Oosterweelverbinding
2. Meccano
3. Oosterweel-noord
4. Ring van A (tunnel ter hoogte van Kenndytunnel)
5. Centrale tunnel met enkel aansluiting op E313

Het team MER-deskundigen kan nu verder aan de slag op basis van de richtlijnen en de aanvullende richtlijnen. Dat onderzoek zal verschillende maanden in beslag nemen. Eind dit jaar zal wel het onderzoek van de verschillende alternatieven op vlak van mobiliteit beschikbaar zijn. Zodra deze gevalideerd zijn door het Vlaams Verkeerscentrum, zal de dienst Mer deze kenbaar maken.
Het definitieve plan-MER zal uiteindelijk samen met andere studies, zoals een Ruimtelijk Veiligheidsrapport en een Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse, de basis vormen voor de Vlaamse Regering om een beslissing te nemen in het dossier van de Oosterweelverbinding.

 

U kan het document hier raadplegen.